Vrouwen runnen ruim een derde van alle Nederlandse bedrijven, maar krijgen een fractie van het financieringsgeld dat naar mannelijke ondernemers gaat. Dat blijkt uit het Code-V Data Rapport 2026, opgesteld met het Erasmus Centre for Entrepreneurship en Deloitte Nederland. De cijfers zijn hard: van de 28,1 miljard euro die banken, kredietverstrekkers en investeerders in 2024 aan het mkb toekenden, ging maar 3,86 miljard euro naar vrouwelijke ondernemers. Dat is 13,7 procent, terwijl vrouwen 36,7 procent van alle ondernemers uitmaken.
Het probleem zit niet bij de beoordeling
Het meest opvallende resultaat uit het rapport is waar de kloof precies ontstaat. Zodra een vrouw daadwerkelijk een aanvraag indient, is de kans op goedkeuring ongeveer gelijk aan die van een man. Het verschil zit in twee andere plekken: hoeveel vrouwen aanvragen, en hoeveel geld ze durven vragen.
Van alle mannelijke ondernemers vraagt 13,2 procent financiering aan. Bij vrouwen is dat 8,6 procent. Vrouwen dienen 27,4 procent van alle aanvragen in, maar halen daarmee slechts 26 procent van het toegekende kapitaal binnen. Onderzoekers noemen dit een aanvraagkloof, geen beoordelingskloof. Het Financieele Dagblad bevestigt die conclusie: vrouwelijke mkb'ers vragen structureel minder vaak financiering aan voor groei, niet omdat ze vaker worden afgewezen.
Waar het verschil in euro's oploopt
De bedragen zelf laten het duidelijkst zien hoe groot de kloof is. Bij investeringsrondes ontvangen vrouwelijke ondernemers gemiddeld 750.000 euro minder dan mannen per investering. Bij bankfinanciering loopt het verschil op tot 126.445 euro per aanvraag, en bij overige financiers tot 20.320 euro. Vragen vrouwen geld aan investeerders, dan doen ze dat voor gemiddeld 205.075 euro minder dan mannelijke ondernemers, en krijgen ze vaak minder dan de helft van het gevraagde bedrag toegekend.
Die cijfers wijzen niet op onwil bij financiers, maar op een patroon dat al bij de aanvraag begint. Vrouwen vragen kleinere bedragen aan dan nodig is voor de groei die ze voor ogen hebben, en stappen minder vaak naar een bank of investeerder om te kijken wat er mogelijk is. RVO, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Economische Zaken, bevestigt dat beeld: vrouwelijke mkb'ers vragen minder vaak financiering aan dan mannelijke ondernemers, terwijl hun slagingspercentage nagenoeg gelijk ligt.
Wat dit kost aan economische groei
Code-V rekent voor wat het dichten van deze kloof landelijk oplevert: 139 miljard euro per jaar aan extra economische waarde. Dat is geen marginaal bedrag. Bedrijven die minder kapitaal ophalen dan ze nodig hebben, groeien trager, huren minder mensen aan en investeren minder in nieuwe producten of markten. Vermenigvuldig dat over duizenden vrouwelijke ondernemers en het verschil telt op tot een reëel gat in de Nederlandse economie.
Wat ook meespeelt: veel vrouwelijke ondernemers starten in sectoren als zorg, dienstverlening en detailhandel, waar financiers van oudsher terughoudender zijn dan bij tech of industrie. Dat verklaart een deel van het verschil, maar niet alles. Zelfs binnen dezelfde sector en bedrijfsgrootte blijft het verschil in aangevraagd en toegekend bedrag bestaan.
Waarom het gebrek aan zelfvertrouwen bij financiering meespeelt
Onderzoekers van Code-V wijzen op een patroon dat vaker terugkomt in onderzoek naar ondernemerschap: vrouwen schatten het risico van een lening of investering hoger in dan mannen, en vragen daardoor voorzichtiger bedragen aan. Een ondernemer die 50.000 euro nodig heeft voor groei, maar uit voorzichtigheid 20.000 euro aanvraagt, komt vervolgens ook echt met 20.000 euro te zitten. Dat conservatisme is invoelbaar, maar het houdt bedrijven kleiner dan nodig.
Voor ondernemers die zelf aan de vooravond staan van een financieringsaanvraag is de les concreet: reken uit wat je écht nodig hebt om je groeiplan te realiseren, niet wat veilig aanvoelt om te vragen. Wil je eerst weten of een lening via een bank de beste route is, dan lees je in ons artikel over factoring hoe je ook zonder bank aan werkkapitaal komt. En steeds meer ondernemers kiezen inmiddels sowieso voor alternatieve routes, zoals we eerder beschreven in waarom ondernemers de bank overslaan.
Wat investeerders en banken zelf al doen
Code-V is internationaal erkend en opgenomen als case study binnen de WE Finance Code van de Financial Alliance for Women, wat Nederland als voorbeeld laat gelden voor andere landen. Een aantal grote banken en investeringsfondsen gebruikt de rapportcijfers inmiddels als benchmark om intern te meten of hun eigen aanvraag- en toekenningsproces evenwichtig verloopt. Dat is geen quotum, maar een manier om te zien of vrouwelijke ondernemers structureel worden onderbediend binnen hun eigen klantenbestand.
Voor wie zelf een bedrijf runt of overweegt te starten, is het rapport vooral een signaal dat de kloof niet zit in vooroordeel bij de loketten, maar in het aanvraaggedrag zelf. Wie een reëel bedrag aanvraagt en de bijbehorende cijfers goed onderbouwt, maakt evenveel kans als iedere andere ondernemer. Dat besef alleen al kan het verschil maken tussen een bedrijf dat op een houtje bijt en een bedrijf dat daadwerkelijk kan groeien.
Zo bereid je een sterkere aanvraag voor
Een financieringsaanvraag staat of valt met de onderbouwing, niet met wie hem indient. Maak een realistische groeiprognose voor twaalf tot vierentwintig maanden en reken daar het volledige bedrag bij dat nodig is, inclusief een buffer voor tegenvallers. Praat daarnaast met meerdere financiers in plaats van bij de eerste bank te stoppen als het antwoord tegenvalt: kredietverstrekkers verschillen sterk in wat ze acceptabel vinden voor een startende of groeiende onderneming. Wie twijfelt over de fiscale kant van een groter bedrag lenen, doet er goed aan om vooraf uit te zoeken wat een hogere financiering betekent voor de jaarcijfers en de eigen belastingpositie, zeker met de aangescherpte belastingregels waar zzp'ers dit jaar mee te maken hebben.